Tanken kost nu bijna €2,60 per liter. Een vol reservoir van 50 liter kost bijna €130. Dat is geen tijdelijke uitschieter door de Iran-oorlog. Het is het voorlopige hoogtepunt van een stijging die al vijf jaar bezig is. En er komt meer aan. Dit is wat de huidige brandstofprijzen betekenen voor de koopkracht van Nederlandse huishoudens en wat dat zegt over de waarde van spaargeld in euro’s.
Hoe hoog de prijs nu staat en waarom
Op 8 april bereikte de benzineprijs in Nederland een nieuw record: €2,599 per liter Euro95, met diesel op €2,819. Beide zijn historische pieken, hoger dan tijdens de Oekraïense energiecrisis van 2022. De oorzaak is de blokkade van de Straat van Hormuz als gevolg van het Amerikaanse conflict met Iran. Via die zeestraat passeert normaal circa 20 procent van de mondiale olieproductie. Brentolie steeg tot boven de 111 dollar per vat.
Na de aangekondigde wapenstilstand daalde de olieprijs met circa 17 procent. Maar de pompprijs reageert traag. Op 13 april stond de Gemiddelde Landelijke Adviesprijs van UnitedConsumers nog op €2,565 voor Euro95 en €2,732 voor diesel. Brandstofexpert Derk Foolen verwacht een daling in kleine stapjes, niet in één beweging.
Wat bijna niemand weet over de opbouw van de pompprijs
Bijna de helft van wat een Nederlander aan de pomp betaalt, gaat rechtstreeks naar de overheid. Bij €2,565 per liter gaat €0,8447 naar accijns. Daarbovenop heft de overheid nog eens 21 procent btw over het hele bedrag, inclusief de accijns zelf. Dat maakt Nederland structureel een van de duurste brandstoflanden van Europa. In Duitsland en België liggen de accijnzen lager. In Luxemburg tanken mensen al jaren goedkoper om precies die reden.
Dat belastingdeel daalt niet mee als de olieprijs daalt. De accijns is een vast bedrag per liter. Maar de btw is een percentage van de totale pompprijs. Stijgt de olieprijs, dan stijgt ook de btw automatisch mee. Dat versterkt koopkrachtverliezen bij energieprijsstijgingen structureel.
Wat er nog aankomt in 2027 en 2028
De huidige situatie is niet het eindpunt. Per 1 januari 2027 vervalt de accijnskorting die de overheid in 2022 invoerde en sindsdien jaarlijks verlengde. Dat leidt tot een stijging van 13 tot 17 cent per liter benzine. Per 1 januari 2028 treedt de Europese CO₂-heffing ETS2 in werking. Brandstofleveranciers moeten dan CO₂-rechten kopen voor de uitstoot van transport en rekenen die kosten door aan de consument. Dat betekent nog eens circa 13 cent per liter extra.
De politiek debatteert. D66 en het CDA bekijken een prijsplafond. GroenLinks-PvdA diende een motie in voor een maximumprijs naar Belgisch model. De VVD pleit voor lagere accijnzen. Concrete maatregelen zijn er nog niet. De Tweede Kamer besluit later dit jaar over de accijns voor 2027.
Wat dit betekent voor de koopkracht van Nederlandse huishoudens
RaboResearch berekende wat verschillende escalatiescenario’s betekenen voor een modaal inkomen van €4.000 bruto per maand. Zonder escalatie steeg de koopkracht dit jaar met €72 per maand. In een mild scenario daalt dat naar €56. Bij serieuze escalatie resteert slechts €36 extra. In het zwaarste scenario levert Jan Modaal €24 per maand in. Wie geen loonsverhoging ontvangt, verliest bij aanhoudend hoge energieprijzen zelfs meer dan €100 per maand.
De ANWB becijferde het breder: de prijs van Euro95 steeg in vijf jaar 25 procent. De gemiddelde koopkracht groeide in diezelfde periode met 10 procent. Dat verschil van 15 procentpunt is directe, structurele erosie. Spaargeld in euro’s dat stilstaat, verliest in die verhouding reële waarde.
Wat dit zegt over spaargeld en harde activa
De benzineprijs is een indicator, geen oorzaak op zichzelf. Wat hij laat zien, is dat euro’s op een spaarrekening in reële waarde eroderen als energieprijzen structureel oplopen en de overheid de kosten via belasting gedeeltelijk doorrekent. Die erosie is niet plotseling. Ze is geleidelijk en daardoor nauwelijks voelbaar per dag. Maar over vijf jaar is het verschil van 15 procentpunt meetbaar aan de pomp, in de supermarkt en op de energierekening.
Dat is de context waarbinnen beleggers in Bitcoin en harde activa redeneren. Een activum met een vaste maximale aanvoer van 21 miljoen eenheden reageert anders op inflatie dan een bankrekening. Dat maakt Bitcoin geen garantie en geen risicoloze keuze. Maar het verklaart wel waarom de koopkrachtdiscussie rond energie, benzine en voedselprijzen structureel terugkomt in het gesprek over crypto als bescherming tegen inflatieverlies.
Wie de pomp betaalt en tegelijkertijd zijn spaargeld ziet stagneren, stelt vroeg of laat dezelfde vraag: in welk activum bewaart ik koopkracht het best?






