Een heel kleine bitcoinbetaling kan voor een wallet onpraktisch zijn, ook als het bedrag op zichzelf geldig is. De veelgenoemde grenzen van 546 en 294 satoshi komen uit het beleid van bitcoin-core/" data-term-title="Bitcoin Core" role="button" tabindex="0">Bitcoin Core: ze hangen samen met het verwachte formaat van een toekomstige besteding. Ze zijn geen algemene minimumwaarde voor iedere bitcointransactie.
| Wat je moet weten |
|---|
| Dust: Een beleidsgrens die waarde vergelijkt met geraamde bestedingskosten. |
| 546 satoshi: Voorbeeld voor een traditionele output bij het standaard dust-tarief. |
| 294 satoshi: Voorbeeld voor een P2WPKH-output bij hetzelfde tarief. |
| Praktijk: Een bedrag boven de grens kan bij hogere transactiekosten toch ongunstig zijn. |
De toekomstige input telt mee
De beleidsbroncode van Bitcoin Core noemt expliciet lokale nodepolicy. Voor de dust-berekening kijkt de software naar de grootte van de output én een raming voor de input die nodig is om haar later te besteden. Zo verbindt zij een klein ontvangen bedrag met de kosten die later bij gebruik kunnen ontstaan.
Bij het in de code genoemde standaardtarief van 3.000 satoshi per kilobyte komt een traditionele output uit op 546 satoshi: 34 bytes voor de output en een raming van 148 bytes voor de input. Voor P2WPKH gaat het om 31 bytes plus een kleinere geraamde input van 67 bytes. Dat levert in hetzelfde voorbeeld 294 satoshi op. Deze getallen beschrijven het beleidsmodel; het zijn geen offertes voor de kosten van jouw volgende betaling.
De technische vorm van het ontvangen bedrag maakt dus verschil. Toch is dust niet hetzelfde als een grens waarboven elke besteding voordelig wordt. De ingestelde beleidsvergoeding en het tarief waarmee een wallet een transactie wil laten bevestigen, beantwoorden verschillende vragen. Bij hogere werkelijke kosten kan ook een output boven 546 satoshi weinig bruikbare waarde overhouden.
Een walletsaldo kan uit veel kleine bedragen bestaan
De Bitcoin-ontwikkelaarsdocumentatie over transacties legt uit dat inputs eerdere outputs besteden. Een zichtbaar walletsaldobedrag kan daarom bestaan uit meerdere afzonderlijke, nog niet bestede outputs. Als een wallet er meer nodig heeft voor één betaling, krijgt die transactie ook meer inputs.
Dat verklaart waarom twee wallets met hetzelfde totaalbedrag niet noodzakelijk dezelfde transactiekosten tonen. De selectie van eerdere outputs en hun technische formaat kunnen verschillen. De voorbeelden uit de dust-berekening helpen dat mechanisme begrijpen, maar voorspellen de uiteindelijke omvang van een volledige transactie niet.
Een bruikbare controle is de kostenraming die de wallet toont voordat je ondertekent. Vergelijk de vergoeding met het bedrag dat je daadwerkelijk wilt versturen en bekijk hoeveel waarde overblijft. Het samenvoegen van kleine bedragen vraagt zelf ook een transactie; alleen het woord dust is geen reden om blind een betaling te starten. Ook kent het huidige nodebeleid uitzonderingen voor bepaalde dust-outputs. Een algemene uitspraak dat iedere output onder één vast aantal satoshi altijd wordt geweigerd, gaat daarom te ver.






